ECLI:NL:CRVB:2016:1654
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding met partner
Appellante diende een aanvraag om bijstand in op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad wees de aanvraag af, omdat uit onderzoek bleek dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met H, met wie zij samenwoont en zorg voor elkaar draagt. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat er geen sprake was van wederzijdse zorg, omdat zij alleen uit noodzaak bij H verbleef en geen relatie met hem had. De Raad oordeelde dat wederzijdse zorg objectief wordt beoordeeld aan de hand van feiten zoals financiële verstrengeling en gezamenlijke huishoudelijke taken. Uit de verklaringen bleek dat appellante en H zorg voor elkaar dragen, bijvoorbeeld door het doen van boodschappen en het verzorgen van H's zoon.
De Raad stelde vast dat appellante daardoor geen zelfstandig recht op bijstand heeft en dat een belangenafweging niet tot een ander oordeel kan leiden. Ook het beroep op artikel 16 WWB Pro, dat bijstand in zeer dringende gevallen mogelijk maakt, faalde omdat het college de aanvraag op andere gronden had afgewezen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van appellante wordt afgewezen vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met H.