ECLI:NL:CRVB:2016:1650
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht meer op ziekengeld wegens voldoende verdiencapaciteit
Appellant ontving een WW-uitkering en ziekengeld op grond van de Ziektewet. Na een eerstejaars ZW-beoordeling stelde het UWV vast dat appellant per 1 maart 2014 meer dan 65% van zijn vroegere loon kon verdienen, waardoor het recht op ziekengeld verviel. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de medische en arbeidskundige rapporten zorgvuldig en inzichtelijk waren gemotiveerd.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn medicijngebruik, duizeligheidsklachten en ernstige depressie tot meer beperkingen leidden, waardoor hij niet kon werken. Hij verzocht om benoeming van een deskundige. De Raad volgde dit niet, omdat de medische informatie geen aanleiding gaf tot meer beperkingen en de verzekeringsarts de beperkingen op verantwoorde wijze had vastgesteld.
De Raad benadrukte dat de combinatie van medicijnen geen extra beperkingen oplevert, mede gebaseerd op informatie van de apotheker. De duizeligheid werd als aspecifiek beoordeeld zonder bevestiging van cardiale pathologie. De depressieve stoornis werd als licht tot matig ingeschat, zonder aanwijzingen voor ernstige psychiatrie. Het verzoek tot deskundigenbenoeming werd afgewezen en het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot beëindiging van het recht op ziekengeld wordt bevestigd.