ECLI:NL:CRVB:2016:152
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WAO-uitkering na geschil over beperkingen en belastbaarheid
Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV zijn beperkingen te laag had ingeschat bij de vaststelling van zijn WAO-uitkering. De rechtbank had eerder het beroep ongegrond verklaard na onderzoek door een reumatoloog en een neuroloog, die geen objectieve neurologische beperkingen konden vaststellen en instemden met de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van de verzekeringsarts.
Appellant bracht een nieuw neuropsychologisch rapport in, waarin aandachtsproblemen en trage informatieverwerking werden vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep merkte echter op dat dit onderzoek onvoldoende onderbouwd was, geen validatietesten bevatte en geen rekening hield met sociale context. Ook ontbrak een onderzoek naar mogelijke psychische oorzaken.
De Raad concludeerde dat het neuropsychologisch onderzoek onvoldoende aanleiding gaf om de eerdere conclusies te herzien. Gezien de consistentie en zorgvuldigheid van de eerdere medische onderzoeken en de FML, bevestigde de Raad het oordeel van de rechtbank dat het UWV de beperkingen niet onjuist had ingeschat.
Het hoger beroep werd afgewezen en de WAO-uitkering van appellant bleef onveranderd vastgesteld op 65 tot 80%. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de beperkingen van appellant juist heeft ingeschat en handhaaft de WAO-uitkering op 65 tot 80%.