ECLI:NL:CRVB:2016:1502
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens op geld waardeerbare arbeid door verzorging vader met PGB
Appellante vroeg bijstand aan nadat zij jarenlang haar vader verzorgde, die een persoonsgebonden budget (PGB) had voor begeleiding en persoonlijke verzorging. Het college wees de aanvraag af omdat appellante op geld waardeerbare arbeid verrichtte door haar vader te verzorgen en niet aannemelijk had gemaakt dat medisch geschoold personeel werd ingehuurd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelde vast dat de zorg die appellante verleende onder het bereik van het PGB viel en daarmee op geld waardeerbare arbeid was. De relatie vader-dochter deed hieraan niet af.
Verder kon appellante niet aantonen welk deel van het PGB haar als loon toekwam. De bewijslast voor bijstandbehoevendheid lag op haar, en zij voldeed niet aan de inlichtingenplicht. Daarom kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld en bleef de afwijzing in stand.
De Raad wees ook het beroep op eerdere jurisprudentie af en bevestigde dat de aanvraag terecht was afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van appellante wordt afgewezen omdat zij op geld waardeerbare arbeid heeft verricht door haar vader te verzorgen.