ECLI:NL:CRVB:2016:1461
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Y.J. Klik
- M. ter Brugge
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde banktegoeden
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) over de periode van juni 2008 tot maart 2011. Naar aanleiding van een signaal van de Belastingdienst over een tegoed van €11.022,- op een bankrekening van appellante, stelde het bestuur een onderzoek in. Hierbij werden bankafschriften opgevraagd en een verklaring van een derde, F, overgelegd waarin werd gesteld dat hij geld aan appellante in bewaring had gegeven.
Het bestuur besloot de bijstand deels te herzien en terug te vorderen omdat appellante geen melding had gemaakt van de bankrekening en de kasstortingen niet aannemelijk kon verklaren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij niet over het tegoed kon beschikken. De verklaringen van F waren inconsistent en onvoldoende onderbouwd.
In hoger beroep herhaalde appellante haar stelling, ondersteund door een nieuwe verklaring van F. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellante niet had aangetoond dat het tegoed niet tot haar vermogen behoorde. De stortingen waren niet te herleiden naar F en de verklaringen waren wisselend van inhoud. De Raad bevestigde daarom de intrekking en terugvordering van de bijstand.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 april 2016.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstand worden bevestigd omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet over het tegoed op haar bankrekening kon beschikken.