Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en gaf aan samen met haar zus te wonen. Het college wees de aanvraag af omdat zij onvoldoende informatie verstrekte over de gezamenlijke huishouding en vorderde het verstrekte voorschot terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betwistte appellante dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, met name dat er geen wederzijdse zorg was. Zij verwees naar een onderhuurovereenkomst en verklaringen over het niet gezamenlijk doen van boodschappen, koken en wassen.
De Raad stelde vast dat appellante en haar zus wel degelijk een gezamenlijke huishouding voerden, omdat zij hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en blijk gaven van wederzijdse zorg, zoals gezamenlijke kosten, gezamenlijke boodschappen en huishoudelijke taken. De verklaringen van appellante en het huisbezoekrapport waren doorslaggevend. De onderhuurovereenkomst en latere verklaringen van de zus konden het oordeel niet wijzigen.
Daarom werd appellante gelijkgesteld met een gehuwde en had zij geen recht op bijstand als alleenstaande. Het hoger beroep werd afgewezen en de terugvordering bleef gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante en haar zus een gezamenlijke huishouding voeren, waardoor appellante geen recht heeft op bijstand als alleenstaande.