ECLI:NL:CRVB:2016:1406
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging premiebedrag leerwerkplek op grond van Wet werk en bijstand
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en verrichtte werkzaamheden op een leerwerkplek van 2 april tot 2 oktober 2013. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag kende hem een premie van €360 toe op basis van artikel 10a, zesde lid, van de WWB en de gemeentelijke Re-integratieverordening WWB 2013. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij recht had op een hogere premie op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de WWB en dat de Re-integratieverordening niet voldeed aan de wettelijke vereisten. Tevens voerde hij schending van het rechtszekerheidsbeginsel en diverse verdragsbepalingen aan.
De Raad oordeelde dat de gemeenteraad aan zijn verordeningsplicht had voldaan door vaststelling van de Re-integratieverordening, waarin de premie werd vastgesteld op 50% van het maximum bedrag genoemd in artikel 31, tweede lid, onderdeel r, van de WWB. De gemeenteraad stond vrij het premiebedrag naar eigen inzicht te bepalen. Er was geen sprake van een gerechtvaardigde verwachting op een hoger bedrag, noch van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel of andere aangevoerde rechtsnormen.
De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college terecht een premie van €360 toekent voor werkzaamheden op een leerwerkplek.