Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 21 januari 2021 van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,
Procesverloop
Overwegingen
Feiten en omstandigheden
- [naam organisatie 1] , van 18 oktober 2013 tot 20 mei 2016;
- [naam organisatie 2] , van 13 oktober 2013 tot 1 mei 2016;
- [naam organisatie 3] , van 16 juni 2016 tot en met 13 juli 2018;
- [naam organisatie 4] , vanaf 25 september 2018.
Bestreden besluit
Beroepsgronden
Wettelijk kader
Oordeel van de rechtbank
primair op de arbeidsinschakeling gerichte werkzaamheden die onder verantwoordelijkheid van het collegein het kader van deze wet worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid, en
die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Aan een belanghebbende wordt een premie voor het verrichten van additionele werkzaamheden toegekend als hij naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces.
primairgericht waren op de arbeidsinschakeling/op het bevorderen van de mogelijkheden van eiseres om uit de bijstand te stromen naar reguliere arbeid. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiseres al sinds 2011 merendeels is ontheven van arbeidsverplichtingen. Voorts acht zij de rapportage van A-REA van 29 september 2019 van belang. Een verzekeringsarts, een psycholoog en een arbeidsdeskundige van A-REA hebben onderzoek gedaan naar de arbeidsmogelijkheden van eiseres en geconcludeerd dat zij, vanwege haar forse langdurige beperkingen in combinatie met een urenbeperking (2 tot 4 uur per week), geen regulier werk kan verrichten. Geadviseerd wordt eiseres te begeleiden naar vrijwilligerswerk. Adequate behandeling zou de ernst van de beperkingen volgens de psycholoog wat kunnen doen afnemen op termijn. Eiseres heeft echter aangegeven door omstandigheden geen behoefte te hebben aan het volgen van een behandeling. Deze rapportage uit 2019 is naar het oordeel van de rechtbank een verdere onderbouwing dat van werkzaamheden primair gericht op de arbeidsinschakeling geen sprake is, maar dat ook voordien daarvan geen sprake was als dit wordt gelezen in samenhang met het Rapport klinisch-psychologische screening van 20 juli 2010. In die rapportage werd ook reeds geconcludeerd dat de prognose ten aanzien van werkhervatting ongunstig is en ten aanzien van herstel vooralsnog ongunstig en afhankelijk van de bereidheid en inzet van eiseres om aan haar problemen te werken. Uit deze rapportages blijkt derhalve dat de situatie van eiseres onverminderd onveranderd is. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat de werkzaamheden bij [naam organisatie 1] , [naam organisatie 3] en [naam organisatie 4] niet primair gericht waren op inschakeling in reguliere arbeid.
Conclusie