ECLI:NL:CRVB:2016:1387
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen hennepkwekerij
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB. Op 21 mei 2013 trof de politie in een loods van appellant een in werking zijnde hennepplantage aan. Appellant erkende de kwekerij en verklaarde dat een deel van de planten acht weken oud was. Het college van burgemeester en wethouders van Gouda trok daarop de bijstand over de periode van 21 februari tot 20 mei 2013 in en vorderde de kosten terug.
Appellanten maakten bezwaar tegen deze besluiten, waarbij zij onder meer stelden dat het college ten onrechte een voorbereidingsperiode van vier weken hanteerde en dat sprake was van een kennelijke misslag in de wettelijke grondslag. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat het niet melden van de hennepkwekerij een schending van de inlichtingenverplichting vormt en dat de vermelding van het verkeerde lid van artikel 17 WWB Pro een kennelijke misslag is die niet tot vernietiging leidt.
De Raad oordeelt dat de vier weken voorbereiding redelijk is gelet op de aard van de werkzaamheden die appellant zelf heeft beschreven, zoals het installeren van elektriciteit, ventilatie en watervoorziening. Appellant heeft geen objectieve gegevens overgelegd die een kortere periode aannemelijk maken. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens verzwegen hennepkwekerij wordt bevestigd.