ECLI:NL:CRVB:2016:1343
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maatregel korting WW-uitkering wegens niet inachtneming opzegtermijn
Appellante was sinds 2007 in dienst als administratief medewerkster en beëindigde haar arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 30 september 2013. Zij vroeg op 2 september 2013 een WW-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat de opzegtermijn van twee maanden niet was nageleefd, waardoor de WW-uitkering pas per 1 december 2013 kon ingaan.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond en oordeelde dat overeenstemming over de beëindiging niet eerder dan 19 september 2013 was bereikt. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de vaststellingsovereenkomst eind juli 2013 was getekend en dat de opzegtermijn was gerespecteerd, maar kon dit niet onderbouwen met correspondentie.
De Raad overwoog dat het niet van belang is wanneer de vaststellingsovereenkomst is getekend, maar wat partijen zijn overeengekomen. Gezien de brief van 18 september 2013 waarin werd aangegeven dat nog onderhandeld werd, en het ontbreken van bewijs van eerdere overeenstemming, concludeerde de Raad dat de opzegtermijn niet is nageleefd. Hierdoor is sprake van een benadelingshandeling en is de maatregel van het UWV terecht opgelegd. Het hoger beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De korting op de WW-uitkering is terecht opgelegd omdat de opzegtermijn niet is nageleefd.