Uitspraak
3 december 2014, 14/2460 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft op 14 december 2012 een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, die door het UWV werd afgewezen omdat zij naar oordeel van het UWV in staat is meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen. De rechtbank Oost-Brabant vernietigde het eerste besluit en beval een nieuwe beoordeling. Na een aanvullend medisch onderzoek en arbeidsdeskundig advies verklaarde het UWV het bezwaar opnieuw ongegrond.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen reden was te twijfelen aan de vastgestelde beperkingen. Ook achtte zij appellante in staat de geselecteerde voorbeeldfuncties te vervullen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar psychische beperkingen, waaronder een borderline persoonlijkheidsstoornis en paniekstoornis met agorafobie, onvoldoende waren meegewogen en dat zij de functies niet kon vervullen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. Uit het medisch rapport bleek dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld en dat er geen nieuwe medische gegevens waren die tot een ander oordeel leidden. De arbeidsdeskundige had overtuigend gemotiveerd dat appellante de functies kon vervullen, ook met inachtneming van haar beperkingen. De Raad zag geen aanleiding een onafhankelijke psychiater te benoemen.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht de Wajong-uitkering had geweigerd omdat appellante naar objectieve maatstaven in staat wordt geacht meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering omdat appellante voldoende verdiencapaciteit heeft ondanks haar psychische beperkingen.