ECLI:NL:CRVB:2016:1220
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening duur bijstandsverlaging wegens ten onrechte toegepaste recidive
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en kreeg meerdere verlagingen opgelegd wegens niet-nakoming van verplichtingen. Na een intrekking van bijstand in november 2013 vroeg hij opnieuw bijstand aan en startte een re-integratietraject. Het college legde hem een verlaging van 100% voor drie maanden op vanwege herhaaldelijk niet meewerken aan dit traject.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze maatregel ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep. Hij stelde dat hij niet correct was gehoord en dat de duur van de maatregel te lang was omdat de gedraging in een zwaardere categorie viel, waardoor geen sprake was van recidive. De Raad oordeelde dat het verweergesprek wel degelijk ook over de maatregel ging en dat appellant voldoende gelegenheid had om bezwaar te maken.
De Raad stelde echter vast dat het college ten onrechte recidive had toegepast bij de duur van de maatregel. Volgens de beleidsvoorschriften en de Verordening had de verlaging met 100% slechts één maand mogen duren. De Raad vernietigde het bestreden besluit en beperkte de duur van de maatregel tot één maand. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De bijstand van appellant wordt met ingang van 1 mei 2014 voor één maand met 100% verlaagd in plaats van drie maanden.