Appellante vroeg op grond van de Wmo een scootmobiel aan ter vervanging van een eerder verstrekte scootmobiel. Het college verstrekte de scootmobiel in bruikleen en legde later een eigen bijdrage op met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2013. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het college een eigen bijdrage mag opleggen ook als de voorziening al was verstrekt en dat de overgangsbepalingen van toepassing zijn.
In hoger beroep stelde appellante dat zij geen eigen bijdrage verschuldigd is omdat de oorspronkelijke voorziening vóór 2010 was verstrekt en dat terugwerkende kracht niet mogelijk is. De Raad oordeelde dat het college terecht de scootmobiel in 2012 heeft verstrekt en dat het opleggen van een eigen bijdrage ook achteraf mogelijk is. Er was geen strijd met het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel.
De Raad stelde echter vast dat de eigen bijdrage slechts verschuldigd is over de periode van 1 januari 2014 tot 22 juni 2015, omdat de ingangsdatum van de bijdrage op de datum van verstrekking van de voorziening moet worden gebaseerd. Het besluit van het college werd vernietigd en de Raad bepaalde zelf de eigen bijdrage over die periode. Appellante kreeg ook vergoeding van het betaalde griffierecht.