ECLI:NL:CRVB:2016:1057
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.F. Claessens
- G.M.G. Hink
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens vermeende gezamenlijke huishouding en niet gemelde werkzaamheden
Appellante ontving bijstand sinds 1996 en werd door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam beschuldigd van het verzwegen van een gezamenlijke huishouding met haar ex-partner I en het niet melden van inkomsten uit werkzaamheden. Het college trok haar bijstand in over de periode van 14 april 2005 tot 4 februari 2013 en vorderde terugbetaling van de kosten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat getuigenverklaringen en onderzoeksbevindingen voldoende waren om een gezamenlijke huishouding aan te nemen. In hoger beroep betwistte appellante dit en stelde dat onvoldoende bewijs bestond voor het hoofdverblijf van I op haar adres.
De Raad oordeelde dat de verklaringen van getuigen onvoldoende concreet waren en dat ook andere aanwijzingen, zoals waterverbruik en gevonden kleding, niet overtuigend waren om een gezamenlijke huishouding aan te nemen over de periode 14 april 2005 tot 1 januari 2007. Wel werd bevestigd dat appellante vanaf 1 januari 2007 werkzaamheden verrichtte zonder dit te melden, waardoor intrekking van bijstand over die periode gerechtvaardigd is.
De Raad vernietigde het besluit voor de periode tot 1 januari 2007 en bepaalde dat het college een nieuw besluit moet nemen over de terugvordering vanaf die datum. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand wordt vernietigd voor de periode 14 april 2005 tot 1 januari 2007, maar bevestigd vanaf 1 januari 2007 wegens niet gemelde werkzaamheden.