ECLI:NL:CRVB:2015:975
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving bijstand van december 2010 tot november 2011 en stond ingeschreven op een adres waar hij volgens het college niet zijn hoofdverblijf had. Uit onderzoek door sociale recherche en verklaringen van appellant, zijn vriendin en moeder bleek dat appellant wisselde tussen het adres van zijn ouders en dat van zijn vriendin, zonder dit te melden.
Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij tijdens politieverhoren onvolledige verklaringen had afgelegd vanwege een strafrechtelijke strategie, maar dit werd onvoldoende geacht om de eerdere verklaringen te betwijfelen.
De Raad oordeelde dat de verklaringen, mede ondertekend door appellant, zwaarwegend zijn en dat hij onvoldoende aannemelijk maakte dat hij zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres had. Door het ontbreken van eenduidige informatie over zijn verblijfplaats kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld, waardoor het college terecht introk en terugvorderde.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt bevestigd.