ECLI:NL:CRVB:2015:902
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving bijstand sinds 1996 met onderbrekingen. Uit signalen van de Belastingdienst en het inlichtingenbureau bleek dat appellant in bepaalde periodes inkomsten had genoten uit werkzaamheden bij het Ministerie van Defensie en via uitzendbureaus, welke niet tijdig waren gemeld.
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam herzag daarop de bijstand en vorderde bedragen terug over de betreffende periodes. Appellant maakte bezwaar, dat aanvankelijk niet-ontvankelijk werd verklaard vanwege overschrijding van de termijn. Latere uitspraken stelden dat het bezwaar alsnog inhoudelijk moest worden behandeld.
In het bestreden besluit verklaarde het college de bezwaren ongegrond, stellende dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden door niet uit eigen beweging de inkomsten te melden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij altijd zijn baan had gemeld en loonbriefjes had ingeleverd, en dat de terugvordering onjuist was berekend.
De Raad oordeelde dat appellant steeds 'nee' had aangekruist bij de vraag naar inkomsten en niet aannemelijk had gemaakt dat hij uit eigen beweging de inkomsten had gemeld. De loongegevens werden pas verstrekt na navraag. De berekening van de terugvordering was niet onderbouwd betwist. Daarom werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.