Uitspraak
OVERWEGINGEN
,moet worden gevolgd.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was sinds 10 april 2001 arbeidsongeschikt en ontving aanvankelijk een WAO-uitkering vanaf 7 augustus 2002. Het UWV trok deze uitkering in 2011 in, omdat de arbeidsongeschiktheid toen minder dan 15% bedroeg. Appellante meldde per 1 januari 2013 een toename van haar arbeidsongeschiktheid, waarop het UWV een nieuwe uitkering weigerde vanwege het niet voldoen aan de vijfjaarsperiode zoals voorgeschreven in de artikelen 39a en 43a van de WAO.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad overwoog dat de vermeende toename van arbeidsongeschiktheid niet binnen vijf jaar na de eerdere toekenning of herziening lag, ongeacht of men uitgaat van 10 april 2002 of 7 augustus 2002 als referentiedatum.
Verder stelde de Raad vast dat de toekenning van een WAO-uitkering in 2009 geen nieuwe basis vormde, omdat de eerdere intrekking in 2008 ongedaan werd gemaakt en de uitkering per 7 augustus 2002 zonder rechtsgrond was toegekend. Er was geen reden om de formele rechtskracht van het besluit van 25 juli 2012 te doorbreken. De Raad wees het beroep af en bevestigde de eerdere uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens het niet binnen vijf jaar melden van toegenomen arbeidsongeschiktheid.