ECLI:NL:CRVB:2015:881
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling indicatie AWBZ-begeleiding versus Zvw-behandeling bij obsessieve compulsieve stoornis
Appellante, lijdend aan een obsessieve compulsieve stoornis met sociale beperkingen, had een indicatie voor AWBZ-begeleiding maar verzocht om verlenging. Het CIZ kende een lagere klasse begeleiding toe en beëindigde deze later, stellende dat behandeling via de Zorgverzekeringswet (Zvw) voorliggend is. Medisch advies bevestigde dat de behandeling bij GGZ nog niet adequaat gevolgd werd, maar dat er nog behandelmogelijkheden waren die eerst benut moesten worden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van CIZ ongegrond, omdat er geen aanwijzingen waren dat appellante was uitbehandeld en AWBZ-begeleiding naast Zvw-behandeling niet noodzakelijk was. Appellante stelde in hoger beroep dat zij begeleiding nodig had om behandeling te kunnen volgen, maar leverde hiervoor geen medische onderbouwing.
De Raad concludeerde op basis van aanvullend medisch advies dat behandeling via Zvw voorliggend is en dat er geen objectieve begeleidingsdoelen vanuit AWBZ zijn. Appellante dreigde niet in een negatieve spiraal te raken zonder AWBZ-begeleiding. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.