Appellant ontving bijstand als alleenstaande volgens de WWB. Uit onderzoek naar een niet opgegeven bankrekening bleek dat tussen 2005 en 2010 vijftien kasstortingen plaatsvonden, die niet waren gemeld aan het dagelijks bestuur. Hierdoor werd de bijstand over bepaalde maanden ingetrokken of herzien en werd een terugvordering ingesteld.
Appellant stelde dat de kasstortingen voortkwamen uit eigen spaargeld en dat de inlichtingenverplichting niet was geschonden. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende concrete en verifieerbare gegevens had aangeleverd om deze verklaring te onderbouwen. De kasstortingen werden daarom aangemerkt als niet gemelde inkomsten, wat een schending van de inlichtingenverplichting opleverde.
Het dagelijks bestuur was bevoegd de bijstand over de betreffende maanden in te trekken of te herzien en de ten onrechte ontvangen bedragen terug te vorderen. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Wel werd het eerdere besluit over december 2005 herzien van intrekking naar herziening. Het beroep tegen dit herzien besluit werd ongegrond verklaard.
De Raad veroordeelde het dagelijks bestuur in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan appellant wordt vergoed. Hiermee vernietigde de Raad de eerdere uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit voor zover het de intrekking over december 2005, de terugvordering en maatregel betreft.