ECLI:NL:CRVB:2015:813
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WW-uitkering wegens ontvangen prepensioen zonder verlies arbeidsuren
Appellant was sinds 1986 in dienst bij een BV en werkte als commercieel directeur 38 uur per week. Vanaf 1 mei 2011 ontving hij prepensioen, terwijl zijn dienstverband op 1 augustus 2012 eindigde. Het UWV verlaagde zijn WW-uitkering met het ontvangen prepensioen, omdat dit volgens de hoofdregel van het Algemeen Inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) als inkomen wordt beschouwd.
Appellant voerde aan dat hij minder uren werkte en daardoor minder bonus ontving, en dat het prepensioen bedoeld was ter compensatie van het verlies aan overuren, waardoor een uitzondering op de hoofdregel van toepassing zou zijn. De Raad onderzocht deze stelling en concludeerde dat de bonusregeling per 1 januari 2011 was gewijzigd en niet langer gekoppeld was aan overuren, en dat appellant al langere tijd minder uren werkte voordat het prepensioen inging.
Daarmee was niet aannemelijk dat het prepensioen betrekking had op een eerder verlies van arbeidsuren zoals bedoeld in artikel 3:5, derde lid, van het AIB. De uitzondering op de hoofdregel was daarom niet van toepassing en het UWV handelde terecht door de WW-uitkering te verlagen met het ontvangen prepensioen. De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland.
Uitkomst: De WW-uitkering van appellant wordt terecht verlaagd met het ontvangen prepensioen omdat geen sprake is van verlies van arbeidsuren.