ECLI:NL:CRVB:2015:804
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder vanaf 28 januari 2010. Het college vermoedde dat appellante en appellant samenwoonden, mede vanwege een auto op naam van appellant en voerde een onderzoek uit via sociale recherche. Op basis van dit onderzoek trok het college de bijstand in en vorderde het de kosten terug over de periode 28 januari 2010 tot 29 februari 2012.
De rechtbank oordeelde dat een gezamenlijke huishouding niet aannemelijk was voor de periode 28 januari 2010 tot 27 november 2011, maar wel voor 27 november 2011 tot 6 mei 2012. In hoger beroep betwistten appellanten het bestaan van een gezamenlijke huishouding in die periode en stelden dat appellant slechts incidenteel verbleef.
De Raad beoordeelde het hoofdverblijf aan de hand van objectieve criteria en concludeerde dat appellant zijn hoofdverblijf in de woning van appellante had in de relevante periode. Dit werd onderbouwd met waarnemingen van de sociale recherche en verklaringen van appellante. Motieven en aard van de relatie waren niet relevant. De verklaring van de getuige was onvoldoende concreet om het oordeel te weerleggen.
De Raad bevestigde daarom het standpunt van het college en verwierp het hoger beroep. De intrekking en terugvordering van bijstand waren gegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden en dat de intrekking en terugvordering van bijstand terecht zijn.