ECLI:NL:CRVB:2015:726
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- A.M. Overbeeke
- G.M.G. Hink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand sinds 2001 en stond ingeschreven op een adres in de gemeente. Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellant bij appellante inwoonde, heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld. Dit onderzoek bestond uit dossieronderzoek, observaties, getuigenverklaringen, en het in beslag nemen van mobiele telefoons. Het college besloot de bijstand per 7 maart 2012 te beëindigen en terug te vorderen vanaf 1 februari 2010, omdat appellanten een gezamenlijke huishouding zouden voeren.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. In hoger beroep betwistten appellanten het bestaan van een gezamenlijke huishouding en voerden zij een beroep op het vertrouwensbeginsel aan, omdat het college de bijstand na een heronderzoek in november 2011 ongewijzigd had voortgezet.
De Raad oordeelde dat het college voldoende feiten en omstandigheden had verzameld waaruit bleek dat appellanten gezamenlijk hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres en zorg voor elkaar droegen, zoals financiële verstrengeling en gedeelde huishoudelijke taken. De verklaringen van appellanten, getuigen en observaties ondersteunden dit standpunt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat appellante onjuiste informatie had verstrekt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding.