ECLI:NL:CRVB:2015:725
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.C.F. Talman
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving een nabestaandenuitkering sinds mei 2005 na het overlijden van zijn partner. Uit onderzoek van de Sociale Verzekeringsbank (Svb), waaronder een huisbezoek, bleek dat appellant vanaf 17 februari 2009 een gezamenlijke huishouding voerde met zijn nieuwe partner, met wie hij een kind had. De Svb trok daarom de uitkering met ingang van maart 2009 in en vorderde de te veel betaalde bedragen terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het huisbezoek rechtmatig was en dat de verklaringen van appellant en zijn partner voldoende bewijs vormden voor het voeren van een gezamenlijke huishouding. In hoger beroep betoogde appellant onder meer dat het huisbezoek onrechtmatig was en dat de verklaringen onjuist waren weergegeven.
De Raad verwierp deze bezwaren en stelde dat appellant vooraf was geïnformeerd over het huisbezoek en toestemming had gegeven. De ondertekende verklaring van appellant en zijn partner bood een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat zij hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Verklaringen van buren en collega’s konden dit niet weerleggen. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep af.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding worden bevestigd.