ECLI:NL:CRVB:2015:693
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens ontbreken dringende redenen
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en kreeg deze bijstand over 2010 herzien vanwege inkomsten uit overig werk. Het college vorderde vervolgens het teveel ontvangen bedrag van €1.168,35 bruto terug. Appellant maakte bezwaar en beroep tegen deze terugvordering, stellende dat hij geen inkomsten had genoten en dat terugvordering onaanvaardbare financiële en sociale gevolgen voor hem zou hebben.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad stelt dat het college bevoegd was tot terugvordering op grond van het onherroepelijke herzieningsbesluit en dat de stelling dat appellant geen inkomsten had genoten niet meer kan worden aangevoerd. Het college hanteert een beleid waarbij alleen bij dringende redenen wordt afgezien van terugvordering, waarbij dringende redenen moeten bestaan uit onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen.
De Raad oordeelt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat dergelijke dringende redenen aanwezig zijn. De financiële problemen die appellant aanvoert, waaronder cumulatie met andere maatregelen, zijn onvoldoende om af te zien van terugvordering. Tevens is van belang dat appellant de mogelijkheid heeft tot gespreide betaling en bescherming via de beslagvrije voet. Daarom wordt het hoger beroep verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van teveel ontvangen bijstand wordt bevestigd.