ECLI:NL:CRVB:2015:625
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- W.H. Bel
- C.H. Rombouts
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens werkzaamheden voor onderneming zoon
Appellant ontving bijstand vanaf 1 juli 2008. Het college ontving in februari 2012 een melding dat appellant werkzaamheden verrichtte op de Vrije Markt in Cuijk voor de onderneming van zijn zoon. Na onderzoek en een huisbezoek werd de bijstand opgeschort en later ingetrokken met terugvordering van €12.665,16 over de periode van 24 maart 2011 tot 18 maart 2012.
De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en vernietigde het besluit voor het deel vanaf 19 maart 2012. Het college herzag het besluit en trok de bijstand vanaf 24 maart 2011 in. De Raad toetste dit besluit en concludeerde dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte die verder gingen dan een marginale familiedienst. Appellant kon niet aannemelijk maken dat hij recht had op bijstand vanwege het ontbreken van een controleerbare administratie.
De Raad oordeelde dat het college bevoegd was de bijstand in te trekken en de kosten terug te vorderen. De door appellant aangevoerde financiële consequenties waren onvoldoende onderbouwd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.