ECLI:NL:CRVB:2015:624

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2015
Publicatiedatum
4 maart 2015
Zaaknummer
13-6246 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43a WAOArt. 6:19 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens geen toename arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar

Appellant heeft in januari 2013 een aanvraag ingediend bij het UWV voor een WAO-uitkering wegens verslechterde gezondheid per 1 januari 2010. Het UWV wees deze aanvraag af omdat appellant in de vijf jaar voorafgaand aan 1 januari 2010 geen recht had op een WAO-uitkering.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat aanvankelijk niet-ontvankelijk werd verklaard vanwege het niet tijdig indienen van bezwaargronden. Tijdens de procedure wijzigde het UWV zijn standpunt en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV de aanvraag terecht had afgewezen, mede omdat het recht op WAO-uitkering met terugwerkende kracht was ingetrokken per 7 januari 2002.

In hoger beroep stelde appellant dat vanwege de aard van zijn psychische klachten sprake was van een uitzonderingsgeval dat toekenning van de WAO-uitkering per 29 januari 2010 rechtvaardigde. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat artikel 43a van de WAO geen ruimte biedt voor toekenning van de uitkering in dit geval. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van een toename van arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na intrekking.

Uitspraak

13/6246 WAO
Datum uitspraak: 4 maart 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
8 november 2013, 13/3463 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B. Arabaci, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een nader stuk ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2015. Namens appellant is verschenen mr. Arabaci voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
drs. H. ten Brinke. Het geding is gevoegd behandeld met het geding, geregistreerd onder nummer 14/4471 WAO, waarin heden afzonderlijk uitspraak is gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant heeft in januari 2013 bij het Uwv een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) wegens verslechterde gezondheid per 1 januari 2010.
1.2.
Bij besluit van 15 februari 2013 heeft het Uwv geweigerd appellant, na een wachttijd van vier weken, met ingang van 29 januari 2010 een WAO-uitkering toe te kennen omdat hij in de vijf jaar voorafgaande aan 1 januari 2010 geen recht heeft gehad op een WAO-uitkering.
1.3.
Bij besluit van 6 mei 2013 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 februari 2013 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellant niet tijdig bezwaargronden heeft ingediend.
1.4.
Tijdens de procedure in beroep heeft het Uwv zijn standpunt gewijzigd en bij besluit van 8 juli 2013 het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant, met toepassing van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, mede gericht geacht tegen dit besluit.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van appellant tegen het besluit van 8 juli 2013 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat het besluit van 6 oktober 2011, waarbij het recht op WAO-uitkering van appellant met terugwerkende kracht per 7 januari 2002 is ingetrokken, met de uitspraak van de rechtbank van 3 mei 2013 (zaaknummer 12/983) in rechte is komen vast te staan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv de aanvraag van appellant op juiste gronden afgewezen. Gelet op de intrekking van het recht op WAO-uitkering van appellant met terugwerkende kracht per 7 januari 2002 is geen sprake van een toename van zijn arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na de intrekking van de WAO-uitkering, als bedoeld in artikel 43a van de WAO.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat, gelet op de aard van zijn psychische klachten, sprake is van een uitzonderingsgeval waarbij hem met ingang van 29 januari 2010 een WAO-uitkering moet worden toegekend.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het oordeel van de rechtbank, dat het Uwv de aanvraag van appellant op juiste gronden heeft afgewezen, en de overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben geleid worden onderschreven. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe gezichtspunten naar voren gebracht. Artikel 43a van de WAO biedt geen ruimte om appellant met ingang van 29 januari 2010 een WAO-uitkering toe te kennen.
4.2.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover aangevochten.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.I. van der Kris en
W.E. Doolaard als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2015.
(getekend) G.A.J. van den Hurk
(getekend) J.C. Hoogendoorn

HD