ECLI:NL:CRVB:2015:618
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde inkomsten uit prostitutieactiviteiten
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Uit onderzoek van de Sociale Recherche bleek dat appellant zijn woning ter beschikking stelde voor prostitutieactiviteiten en hiervoor inkomsten ontving zonder dit te melden aan het college. Het college trok daarom de bijstand in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden, maar dat niet was komen vast te staan dat hij gedurende de gehele periode inkomsten had ontvangen. Het college beperkte daarop de intrekking tot een periode van twee weken.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij slechts eenmaal € 50,- had ontvangen en dat hij niets met de prostitutieactiviteiten te maken had. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij recht had op bijstand over die periode, mede omdat hij geen administratie bijhield en de verklaring van een getuige niet werd weersproken.
Verder werd het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen omdat de procedure minder dan vier jaar duurde. De Raad bevestigde het bestreden vonnis en wees de verzoeken om schadevergoeding en proceskosten af.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde inkomsten uit prostitutieactiviteiten wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.