ECLI:NL:CRVB:2015:61
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- P.W. van Straalen
- F. Hoogendijk
- Rechtspraak.nl
Beëindiging algemene bijstand wegens niet-levensvatbaarheid bedrijf zelfstandige
Appellante exploiteert sinds eind oktober 2010 een bedrijf waarvoor het college van burgemeester en wethouders van Den Haag bijstand verleende op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het college verlengde de bijstand tot uiterlijk 31 maart 2014, met de aankondiging in augustus 2012 de levensvatbaarheid van het bedrijf te beoordelen.
In juli 2012 vroeg appellante bedrijfskapitaal aan, waarop het college het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) om advies vroeg. Het IMK concludeerde dat het bedrijf niet levensvatbaar was vanwege onvoldoende omzetverwachting. Op 1 oktober 2012 wees het college de aanvraag af en beëindigde het de algemene bijstand per 1 september 2012.
Appellanten maakten bezwaar tegen deze besluiten, maar de rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Raad dat het college terecht het bedrijf als niet levensvatbaar heeft beoordeeld op 1 oktober 2012 en daarmee de bijstand mocht beëindigen. Echter, het Bbz 2004 biedt geen grond voor terugwerkende intrekking van bijstand. Daarom vernietigt de Raad het besluit tot intrekking per 1 september 2012 en bepaalt dat de bijstand pas per 1 oktober 2012 eindigt. Het college moet de bijstand over september 2012 alsnog uitbetalen en wordt veroordeeld in de kosten van appellanten.
Uitkomst: De bijstand wordt per 1 oktober 2012 beëindigd en de intrekking met terugwerkende kracht per 1 september 2012 wordt vernietigd.