Appellant viel in januari 2008 uit wegens nek- en schouderklachten en werd aanvankelijk niet als arbeidsongeschikt met recht op WIA-uitkering erkend. Na een nieuwe melding in juni 2010 stelde het UWV vast dat appellant recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering wegens 100% arbeidsongeschiktheid, maar niet duurzaam. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij recht had op een IVA-uitkering wegens volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, onderbouwd met lichamelijke en psychische klachten.
De Raad oordeelde dat appellant weliswaar volledig arbeidsongeschikt was, maar dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was, omdat herstel binnen een jaar na een nekhernia-operatie en revalidatie werd verwacht. Psychische klachten werden niet als beperkingen erkend. Daarnaast werd het beroep tegen het werkplan van het UWV, waarin verplichtingen waren opgenomen, door de rechtbank ongegrond verklaard. De Raad vernietigde deze uitspraak omdat het werkplan niet voldeed aan de vereisten van helderheid en concreetheid van de verplichtingen, waardoor het geen zelfstandig rechtsgevolg kon hebben.
De Raad verklaarde het beroep tegen het werkplan gegrond, het bezwaar niet-ontvankelijk en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten van appellant. Hiermee werd het besluit over de arbeidsongeschiktheid bevestigd, maar het besluit over het werkplan vernietigd wegens onvoldoende rechtsgrondslag en concreetheid.