ECLI:NL:CRVB:2015:569
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek smartengeld na dienstongeval wegens verjaring
Appellant, werkzaam als senior basis politiefunctionaris, raakte op 16 juni 2003 tijdens een IBT-training geblesseerd aan zijn linkerknie. Na een operatie in februari 2004 werd het ongeval door de korpschef als dienstongeval erkend. Ondanks blijvende beperkingen en een functieplaatsing in 2008, diende appellant pas in september 2010 een verzoek in voor smartengeld.
De korpschef wees dit verzoek af wegens verjaring, omdat het verzoek meer dan vijf jaar na het dienstongeval en het moment waarop appellant redelijkerwijs in actie had kunnen komen werd ingediend. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat appellant al na de operatie of uiterlijk na het oordeel van de bedrijfsarts in maart 2005 had moeten handelen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het verjaringstijdstip pas op 5 december 2005 begon, toen de verzekeringsarts van het UWV zijn blijvende invaliditeit vaststelde. De Raad oordeelde echter dat appellant al vóór 28 september 2005 duidelijkheid had over zijn invaliditeit, mede gelet op de medische behandeling en het oordeel van de bedrijfsarts. Hierdoor was het verzoek in 2010 verjaard en werd het hoger beroep afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het verzoek om smartengeld definitief af wegens verjaring. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om smartengeld wordt afgewezen wegens verjaring na het verstrijken van de vijfjarige termijn.