Uitspraak
10 april 2013, 12/3681 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam in een substantieel bezwarende functie, kreeg vanaf 1 oktober 2010 buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging (SBF-verlof) en ontving een uitkering in plaats van bezoldiging. Bij het bereiken van zijn 25-jarig dienstverband vroeg hij een ambtsjubileumgratificatie aan. De minister wees dit verzoek af omdat de gratificatie berekend moet worden op basis van bezoldiging, die appellant niet ontving tijdens het verlof.
Appellant stelde dat het SBF-verlof mede in het algemeen belang werd verleend, waardoor de uitzondering van artikel 8 van Pro de Regeling gratificatie bij ambtsjubileum (Rga) van toepassing zou zijn. Dit zou betekenen dat de berekeningsgrondslag van vóór het verlof gebruikt zou moeten worden.
De Raad oordeelde dat het SBF-verlof niet mede in het algemeen belang is verleend, maar in het belang van de ambtenaar en het dienstbelang, wat niet gelijk is aan het algemeen belang. Dit oordeel wordt ondersteund door de regeling zelf, de brochure over SBF-verlof en het ontbreken van afspraken met bonden over een gratificatie tijdens SBF-verlof.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om ambtsjubileumgratificatie wordt afgewezen omdat appellant tijdens SBF-verlof geen bezoldiging ontvangt en de uitzondering voor algemeen belang niet van toepassing is.