ECLI:NL:CRVB:2015:510
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- W.F. Claessens
- C.H. Rombouts
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens onjuiste opgave werkzaamheden
Appellante ontving vanaf februari 2009 bijstand als alleenstaande ouder. Vanaf januari 2010 was zij in dienst bij een bedrijf in Duitsland en gaf inkomsten uit deze dienstbetrekking op. Een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand volgde na twijfel over de omvang van haar werkzaamheden en de opgegeven uren.
Het onderzoek bestond uit observaties bij haar woning en het bedrijf, het bijhouden van een weekstaat, en een gesprek waarin werd vastgesteld dat haar aanwezigheid op het werk niet overeenkwam met haar opgave. Het dagelijks bestuur trok daarom de bijstand in vanaf 1 juli 2012 en vorderde de kosten over juli en augustus 2012 terug.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en ook in hoger beroep maakte appellante niet aannemelijk dat haar aanwezigheid op de werkplek geen loonvormende arbeid betrof. Zij gaf uiteenlopende verklaringen over sociale contacten en klusjes zonder betaling, maar kon dit niet overtuigend onderbouwen.
De Raad oordeelde dat appellante de inlichtingenplicht heeft geschonden en bevestigde de intrekking en terugvordering van de bijstand. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.