ECLI:NL:CRVB:2015:4820
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.E. Bakker
- G. Van Zeben-de Vries
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugwerkende kracht toeslag op grond van de Toeslagenwet
Appellant ontvangt sinds 2002 een WAO-uitkering en verzocht in 2013 om een toeslag op grond van de Toeslagenwet met terugwerkende kracht vanaf 2002 vanwege een gedaald gezinsinkomen.
Het UWV kende de toeslag toe vanaf 2012 en wees bezwaar af omdat appellant niet eerder een aanvraag had ingediend en er geen sprake was van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 11, zevende lid, TW. De rechtbank stelde de ingangsdatum vast op 7 maart 2013 en vernietigde het besluit voor zover het een eerdere terugwerkende kracht betrof.
In hoger beroep betoogde appellant dat er wel sprake was van nieuwe feiten en bijzondere omstandigheden, waaronder een tot zijn huishouden behorend kind jonger dan twaalf jaar, waardoor een langere terugwerkende kracht mogelijk zou zijn.
De Raad oordeelde dat dit wel een nieuw feit was, maar dat het UWV terecht had geoordeeld dat geen bijzonder geval bestond voor een terugwerkende kracht van meer dan een jaar. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV niet bevoegd was de toeslag met terugwerkende kracht van meer dan een jaar toe te kennen.