ECLI:NL:CRVB:2015:4811
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant werkte tot 31 maart 2011 als algemeen medewerker en meldde zich op 4 april 2011 ziek wegens knieklachten. Het UWV stelde na onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard door het UWV en de rechtbank.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij door knie-, rug- en psychische klachten meer beperkingen had en de geselecteerde functies niet kon verrichten. Ook stelde hij dat een functie met minder uren per week moest vervallen of een lager uurloon moest krijgen. Het UWV verzocht de uitspraak van de rechtbank te bevestigen.
De Raad overwoog dat appellant geen onderbouwd medisch oordeel had gesteld dat het standpunt van het UWV betwist. De verzekeringsarts had appellant lichamelijk onderzocht en concludeerde dat er slechts matige beperkingen waren. De arbeidsdeskundige had een passende functieselectie gemaakt. De Raad verwierp het beroep van appellant en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
De Raad wees ook op het juiste gebruik van de Beleidsregel uurloonschatting 2008 en verwierp appellants berekening van het uurloon. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 14 december 2015.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.