ECLI:NL:CRVB:2015:4575
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering persoonsgebonden budget na vertrek naar buitenland
Appellante ontving in 2011 een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de AWBZ. Het Zorgkantoor beëindigde het pgb per 1 juni 2011 vanwege haar vertrek naar het buitenland en stelde het definitieve pgb-bedrag vast op €22.958,16, waarbij een bedrag van €11.419,33 werd teruggevorderd wegens teveel ontvangen voorschotten.
Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, onder meer omdat zij meende dat de budgetgarantie niet verantwoord hoefde te worden en dat zij de mogelijkheid had moeten krijgen om haar verantwoording aan te passen. Ook voerde zij aan dat terugvordering niet mogelijk was voor verrekeningen met het pgb over 2010.
De Raad oordeelde dat de verantwoording van het budgetgarantiebedrag wel vereist is en dat het Zorgkantoor terecht is uitgegaan van de maandlonen zoals vastgelegd in de zorgovereenkomsten. Tevens is de verrekening met het pgb over 2010 terecht meegenomen. De bezwaren van appellante zijn ongegrond en het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging en terugvordering van het pgb wordt bevestigd.