ECLI:NL:CRVB:2015:457
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Het college trok de bijstand in en vorderde kosten terug op grond van het vermoeden dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden. De sociale recherche voerde observaties uit en stelde een rapport op. Het college baseerde zich op deze bevindingen en verklaringen van omwonenden om de besluiten te nemen.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de onderzoeksbevindingen en verklaringen onvoldoende concreet en niet overtuigend waren om het bestaan van een gezamenlijke huishouding aan te nemen. De verklaringen van appellanten waren tegenstrijdig en de observaties lieten slechts zien dat appellant geregeld verbleef, niet dat hij er zijn hoofdverblijf had.
De Raad vernietigde de bestreden besluiten en herroept de intrekkings- en terugvorderingsbesluiten. Tevens veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten. De uitspraak bevestigt het belang van een gedegen feitelijke onderbouwing bij intrekking van bijstand op grond van vermeende gezamenlijke huishouding.
Uitkomst: De besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand worden vernietigd wegens onvoldoende feitelijke grondslag voor gezamenlijke huishouding.