ECLI:NL:CRVB:2015:4563
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen kwijtschelding van terugvordering WWB wegens onvoldoende aflossing en schending inlichtingenplicht
Appellant ontving sinds 1995 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). In 2008 is een bedrag van €14.453,64 teruggevorderd wegens niet gemelde inkomsten, een besluit dat onherroepelijk is geworden na eerdere procedures.
Appellant verzocht in 2013 om kwijtschelding van de openstaande vordering, maar het college wees dit af omdat appellant nog niet tien jaar had afgelost, hetgeen volgens het beleid vereist is bij terugvorderingen die het gevolg zijn van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat de termijn van vijf jaar zou moeten gelden omdat de schending van de inlichtingenplicht niet verwijtbaar was. De Raad verwierp dit standpunt, stellende dat het beleid geen ruimte biedt voor een kortere termijn op grond van niet-verwijtbaarheid en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hem geen verwijt kan worden gemaakt.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om kwijtschelding van de terugvordering wordt afgewezen omdat appellant nog geen tien jaar heeft afgelost en de vordering voortkomt uit het niet nakomen van de inlichtingenverplichting.