Uitspraak
4 augustus 2014, 14/3973 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft op 7 januari 2014 bijstand aangevraagd op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). In het kader van het onderzoek naar zijn financiële situatie heeft de gemeente Rotterdam appellant verzocht bankafschriften en bewijsstukken te overleggen over de zes maanden voorafgaand aan de aanvraag. Appellant verklaarde dat hij leefde van klussen en leningen van familie en vrienden, maar kon dit niet met bewijsstukken onderbouwen.
Het college heeft de aanvraag op 27 februari 2014 afgewezen wegens onvoldoende inzicht in de financiële situatie. De rechtbank Rotterdam heeft dit besluit op 4 augustus 2014 bekrachtigd. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat hij geen bankafschriften kon overleggen omdat hij contant geld ontving en dat hij later alsnog gegevens had overgelegd. Hij stelde dat het ontbreken van bewijsstukken voor rekening van het college moest komen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de bewijslast bij de aanvrager ligt en dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn financiële situatie. De verklaring van appellant was onvoldoende controleerbaar door het ontbreken van boekhouding en verifieerbare gegevens over leningen. Het beroep op bewijsnood faalde omdat het ontbreken van gegevens voor risico van appellant komt. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens onvoldoende inzicht in de financiële situatie van appellant.