ECLI:NL:CRVB:2015:4550
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen bijstand met terugwerkende kracht na verblijfsvergunning
Appellant bezocht op 15 augustus 2008 de gemeente Utrecht voor een voor-intake voor bijstand en overhandigde een brief van STIL waarin werd aangegeven dat hij in aanmerking kwam voor het Generaal Pardon. Pas op 17 februari 2011 diende appellant een formele aanvraag om bijstand in. Op 7 januari 2011 kreeg appellant een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht vanaf 15 juni 2007.
Het college verleende bijstand met ingang van 21 januari 2011 en beperkte de terugwerkende bijstand tot 15 augustus 2008 met een maximum van €850,- vanwege een schuld aan STIL. Appellant stelde dat de bijstand vanaf 15 augustus 2008 of zelfs 15 juni 2007 moest ingaan.
De Raad oordeelde dat een voor-intake geen aanvraag is en dat de aanvraagdatum van 17 februari 2011 correct is als aanvangsdatum. Bijstand met terugwerkende kracht wordt slechts toegekend bij bijzondere omstandigheden, zoals een met terugwerkende kracht verleende verblijfsvergunning, mits de aanvrager aannemelijk maakt dat hij in die periode kosten voor levensonderhoud had die niet werden gedekt.
Appellant slaagde er niet in voldoende bewijs te leveren over zijn levensonderhoud in de achterliggende periode, behalve de schuld van €850,- aan STIL. Daarom is de bijstand beperkt toegekend en is het beroep ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat bijstand niet met terugwerkende kracht wordt toegekend ondanks de met terugwerkende kracht verleende verblijfsvergunning.