ECLI:NL:CRVB:2015:4285
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- M. Hillen
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen langdurige samenwoning
Appellante ontving vanaf 1983 met onderbrekingen bijstand als alleenstaande ouder. Vanaf 3 augustus 1998 stond zij ingeschreven op een adres waar zij volgens onderzoek van de sociale recherche samenwoonde met M, zonder dit te melden aan het college. Na een anonieme melding verrichtte de gemeente Rotterdam een uitgebreid onderzoek met dossieronderzoek, verhoren, buurtonderzoeken en bankafschriftanalyse.
Op basis hiervan besloot het college op 31 januari 2013 de bijstand vanaf 3 augustus 1998 in te trekken en € 211.011,58 terug te vorderen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellante onder meer dat zij voorafgaand aan het verhoor geen advocaat mocht raadplegen en dat de brutering van het terugvorderingsbedrag een bestraffende sanctie zou zijn.
De Raad oordeelde dat artikel 6 EVRM Pro niet van toepassing is op bestuursrechtelijke verhoren en dat appellante voorafgaand aan het tweede verhoor wel een advocaat heeft geraadpleegd. De brutering betreft een herstelmaatregel en geen straf. Verder was voldoende vastgesteld dat appellante en M gedurende de periode hun hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres, mede op basis van verklaringen van buurtbewoners en de eigen verklaringen van appellante.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens verzwegen langdurige samenwoning.