ECLI:NL:CRVB:2020:109
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet melden verblijf in buitenland
Appellant ontving bijstand van oktober 2008 tot juni 2017 en stond ingeschreven op een adres in Den Haag. Na een anonieme melding dat appellant sinds april 2013 grotendeels op Gran Canaria verbleef en zijn woning onderverhuurde, voerde het college een onderzoek uit. Appellant verklaarde op 19 mei 2017 dat hij vanaf april 2013 voornamelijk op Gran Canaria verbleef, maar kon geen reisbewijzen overleggen.
Het college besloot de bijstand over de periode april 2013 tot juni 2017 in te trekken en de kosten terug te vorderen wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn verklaring niet meegenomen moest worden, maar de Raad oordeelde dat deze verklaring betrouwbaar was en dat het college aannemelijk had gemaakt dat appellant grotendeels in het buitenland verbleef.
Omdat appellant niet had gemeld dat hij langdurig in het buitenland verbleef, kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het hoger beroep faalde en de intrekking en terugvordering bleven in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand blijven in stand.