ECLI:NL:CRVB:2015:423
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M. Hillen
- J.F. Bandringa
- C.H. Rombouts
- Rechtspraak.nl
Herziening bijstand en terugvordering wegens onduidelijke kasstortingen
Appellant ontving bijstand volgens de WWB en er werden kasstortingen op zijn gezamenlijke bankrekening met zijn toenmalige echtgenote vastgesteld in de periode april tot november 2011. Het college herzag de bijstand en legde een maatregel op en een terugvordering wegens vermeende onrechtmatige bijstand.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. In hoger beroep stelde appellant dat de kasstortingen afkomstig waren van opgenomen uitkering, bijdragen van familie en verkoop van goederen, en dat hij deze niet als inkomen zag omdat het geld weer werd teruggestort.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt waar de stortingen vandaan kwamen en dat de bedragen niet overeenkwamen met terugstortingen. Daarom was het college terecht uitgegaan van inkomen. De maatregelverlaging werd echter vernietigd omdat het college die niet had gehandhaafd. De terugvordering bleef in stand omdat appellant geen dringende redenen had aangetoond om daarvan af te zien.
De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht en kende appellant een vergoeding van wettelijke rente toe over het ten onrechte ingehouden bedrag. De uitspraak bevestigt de noodzaak van duidelijke bewijsvoering bij herziening van bijstand en de restrictieve toepassing van terugvordering.
Uitkomst: Maatregelverlaging bijstand vernietigd, terugvordering gehandhaafd, college veroordeeld tot kostenvergoeding en wettelijke rente.