Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2015:422

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 februari 2015
Publicatiedatum
17 februari 2015
Zaaknummer
14-3878 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Verordening afstemming en handhaving WWB Rotterdam 2013Art. 8 WWBArt. 9 WWBArt. 18 WWBArt. 37 IOAW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de verbindende kracht van artikel 6 Verordening 2013 bij verlaging bijstand

Betrokkene ontvangt bijstand sinds augustus 2012 en volgde een traject met opleiding en stage bij De Traverse. Na herhaaldelijk niet verschijnen op de stage en het niet nakomen van afspraken, werd betrokkene op 19 juli 2013 door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam een maatregel opgelegd waarbij de bijstand met 100% werd verlaagd voor de duur van één maand.

Betrokkene maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, omdat artikel 6 van Pro de Verordening 2013 onvoldoende criteria bevatte om de hoogte en duur van de maatregel vast te stellen, waardoor het artikel geen verbindende kracht heeft.

Het college ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de gemeenteraad op grond van artikel 8 WWB Pro exclusief bevoegd is regels te stellen over verlaging van bijstand, maar dat deze regels duidelijke criteria moeten bevatten. De Raad concludeerde dat artikel 6 van Pro de Verordening 2013 deze criteria niet bevat en dat de toelichting deze tekortkoming niet kan opvangen. Daarom mist artikel 6 in Pro zijn geheel verbindende kracht.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde het college in de proceskosten van betrokkene. Hiermee is het besluit tot verlaging van de bijstand vernietigd en kan het college geen maatregel opleggen op basis van het artikel 6 van Pro de Verordening 2013.

Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt verworpen en het besluit tot verlaging van de bijstand wordt vernietigd wegens onvoldoende criteria in artikel 6 Verordening 2013.

Uitspraak

14/3878 WWB
Datum uitspraak: 17 februari 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
12 juni 2014, 13/8348 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (appellant)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. A. El Idrissi, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Plaisier. Namens betrokkene is verschenen mr. El Idrissi.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Betrokkene ontvangt sinds 9 augustus 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Op 1 oktober 2012 is betrokkene bij De Traverse begonnen met een traject, bestaande uit een opleiding en een stage, die bij afronding zouden leiden tot het behalen van een MBO2-diploma. Op 26 april 2013 heeft
De Traverse aan de klantmanager van betrokkene gemeld dat betrokkene sinds twee weken niet meer op de stageplek en op de opleiding was verschenen. De klantmanager heeft vervolgens met betrokkene afspraken gemaakt om het traject weer op te pakken. Op
18 juni 2013 heeft De Traverse gemeld dat betrokkene zich niet aan de afspraken heeft gehouden en met ingang van 14 juni 2013 van het traject is verwijderd.
1.2.
Bij besluit van 19 juli 2013 heeft appellant de bijstand van betrokkene bij wijze van maatregel met ingang van 1 augustus 2013 voor de duur van één maand met 100% verlaagd.
1.3.
Bij besluit van 12 december 2013 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 19 juli 2013 ongegrond verklaard. Daaraan heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene door eigen toedoen zijn stage is kwijtgeraakt. Dit levert volgens
artikel 6, derde lid, aanhef en onder b, van de Verordening afstemming en handhaving WWB, IOAW, IOAZ Rotterdam 2013 (Verordening 2013) een maatregel op van 100% gedurende een maand. Appellant heeft in het verweerschrift hangende beroep de motivering van het bestreden besluit gewijzigd in die zin dat de maatregel niet is opgelegd in verband met het verwijtbaar kwijtraken van een stage, maar vanwege de beëindiging van het traject bij
De Traverse door toedoen van betrokkene.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 19 juli 2013 herroepen en bepaald dat de aangevallen uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank heeft geoordeeld dat artikel 6 van Pro de Verordening 2013 en de toelichting op de verordening onvoldoende criteria bevatten op grond waarvan de hoogte en duur van een maatregel per gedraging kunnen worden bepaald. Artikel 6 van Pro de Verordening 2013 mist daarom in zijn geheel verbindende kracht. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Raad van 25 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:608, met betrekking tot artikel 8 van Pro de Verordening afstemming en handhaving WWB Rotterdam 2009
(Verordening 2009).
3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB stelt de gemeenteraad regels vast met betrekking tot het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP6843) is hiermee aan de gemeenteraad de exclusieve bevoegdheid toegekend om regels vast te stellen met betrekking tot onder meer het verlagen van de bijstand wegens het niet nakomen van aan de bijstand verbonden verplichtingen. Zoals de Raad eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD6943) dient deze verordening met name criteria te bevatten om de hoogte en de duur van de verlaging te kunnen vaststellen.
4.2.
De Raad heeft bij de onder 2 genoemde uitspraak van 25 februari 2014 geoordeeld dat de Verordening 2009, zoals gewijzigd met ingang van 1 juli 2011, geen criteria bevat op grond waarvan de hoogte en de duur van een maatregel per gedraging kan worden bepaald. Aan de orde is de vraag of de Verordening 2013, die met ingang van 1 april 2013 in werking is getreden, deze criteria wel bevat.
4.3.
Artikel 6 van Pro de Verordening 2013 luidt als volgt:
Re-integratie en werkloosheid
1. Het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 9 van Pro de WWB, artikel 37 van Pro de IOAW, artikel 37 van Pro de IOAZ of het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, leidt tot een schriftelijke waarschuwing of een maatregel, tenzij de IOAW of IOAZ op grond van artikel 3 van Pro deze verordening wordt geweigerd.
2. Bij een lichte verplichting wordt volstaan met een schriftelijke waarschuwing.
3. De hoogte van de maatregel in verband met een gedraging, als bedoeld in het eerste lid, bedraagt bij:
a. het onvoldoende nakomen van een verplichting: 30% gedurende een maand;
b. het niet nakomen van een verplichting of het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid: 100% gedurende een maand.
4.4.
Appellant heeft aangevoerd dat hoewel de tekst van artikel 8 van Pro de Verordening 2009 en artikel 6 van Pro de Verordening 2013 gelijkluidend zijn, artikel 6 van Pro de Verordening 2013, in het bijzonder bezien in relatie tot de bij deze verordening behorende integrale toelichting, wel voldoende criteria bevat om maatregelwaardige gedragingen te kunnen onderscheiden.
4.5.
De Raad stelt voorop dat voor een bijstandsgerechtigde uit de verordening zelf duidelijk moet blijken welke gevolgen door het college aan zijn gedraging kunnen worden verbonden. De toelichting is niet de plaats waar de criteria moeten worden opgenomen. Deze is hooguit bedoeld om de in de verordening opgenomen criteria te verduidelijken. In artikel 6 van Pro de Verordening 2013 ontbreken de criteria om het onderscheid te maken tussen een lichte en een gewone verplichting en tussen het niet of onvoldoende nakomen van een dergelijke verplichting. Dit voert tot de conclusie dat de gemeenteraad met artikel 6 van Pro de Verordening 2013 geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de hem in het kader van artikel 8 van Pro de WWB toegekende verordenende bevoegdheid. Het standpunt van appellant dat deze criteria in de toelichting op de Verordening 2013 voldoende zijn omschreven, leidt dan ook niet tot een andere conclusie, nog daargelaten dat ook de toelichting, hoewel uitgebreider dan de toelichting bij de Tweede wijziging van Verordening 2009, nog steeds onvoldoende onderscheid aanbrengt tussen de lichte en gewone verplichting en tussen het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting. Nu de Verordening 2013 derhalve onvoldoende criteria bevat om de hoogte en de duur van de verlaging van de algemene bijstand te kunnen vaststellen, betekent dit dat artikel 6 van Pro de Verordening 2013 in zijn geheel verbindende kracht mist.
4.6.
Uit 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Aanleiding bestaat om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van
€ 980,-;
- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 493,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en J.F. Bandringa en C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2015.
(getekend) M. Hillen
(getekend) M.S. Boomhouwer

HD