ECLI:NL:CRVB:2015:4150
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet-melding autohandel
Appellante ontving sinds 1996 bijstand en werd in 2012 onderzocht wegens vermoedelijke uitkeringsfraude na een tip. Uit onderzoek bleek dat 25 auto's tussen 2003 en 2012 op haar naam stonden, vaak kort geregistreerd. Zij werd uitgenodigd voor gesprekken om administratie en vrijwaringsbewijzen te overleggen, maar verscheen niet.
Het college besloot de bijstand over diverse maanden tussen 2004 en 2011 in te trekken en €20.386,16 terug te vorderen, omdat appellante geen melding had gemaakt van de autotransacties, waarmee zij haar inlichtingenplicht schond. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar meerderjarige zoon de auto's op haar naam had gezet zonder haar medeweten en dat sprake was van identiteitsmisbruik. De Raad oordeelde dat deze stellingen onvoldoende waren onderbouwd en dat de transacties aan appellante toegerekend moeten worden. Ook het beroep op een terugkijktermijn van vijf jaar faalde, evenals het verzoek om af te zien van terugvordering wegens financiële gevolgen.
De Raad concludeerde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt recht te hebben op bijstand over de betwiste maanden en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.