ECLI:NL:CRVB:2015:4135
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- R.E. Bakker
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering WAO-uitkering niet gerechtvaardigd wegens onvoldoende bewijs simulatie
Appellant ontving sinds 20 januari 2003 een volledige WAO-uitkering wegens ernstige psychiatrische klachten. Het Uwv trok deze uitkering in 2011 met terugwerkende kracht in en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug, stellende dat appellant zijn arbeidsongeschiktheid had gesimuleerd. Diverse medische onderzoeken, waaronder door verzekeringsartsen en een klinisch neuropsycholoog, vormden de basis voor dit besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het besluit voldoende medische grondslag had. In hoger beroep betoogde appellant dat de medische rapporten onvoldoende steun boden voor de conclusie van simulatie en dat hij vanwege zijn medische situatie niet de gevolgen van zijn handelen kon overzien.
De Raad oordeelde dat het rapport van de neuropsycholoog, niet zijnde psychiater, onvoldoende gewicht had en dat het Uwv niet aannemelijk had gemaakt dat appellant vanaf 20 januari 2003 onterecht een uitkering ontving. De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, herroept de intrekkings- en terugvorderingsbesluiten en veroordeelde het Uwv in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van simulatie.