ECLI:NL:CRVB:2015:4129
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek herziening intrekking Ziektewet-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant was tot 1 juli 2009 werkzaam en ontving daarna een WW-uitkering. Van oktober 2009 tot september 2011 werkte hij parttime als parochiecoördinator. Vanaf oktober 2011 ontving hij een Ziektewet-uitkering vanwege oog- en rugklachten. Op 14 mei 2012 verklaarde het UWV hem hersteld en beëindigde de ZW-uitkering. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep, maar deze werden ongegrond verklaard.
In december 2013 verzocht appellant om herziening van het besluit wegens verslechtering van zijn gezondheid. Dit verzoek werd in april 2014 afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden. Ook het bezwaar hiertegen werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde deze afwijzing in maart 2015.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn gezondheid verder was verslechterd en dat hij nog steeds veel pijn had, met beperkingen in lopen en staan en achteruitgang van het gezichtsvermogen. De Raad oordeelde dat op grond van artikel 4:6 Awb Pro alleen nieuwe feiten of omstandigheden die betrekking hebben op 14 mei 2012 tot herziening kunnen leiden. De aangevoerde medische gegevens waren ofwel niet gerelateerd aan die datum of reeds bekend bij het UWV.
Daarom is het verzoek tot herziening terecht afgewezen en het hoger beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de intrekking van de Ziektewet-uitkering is terecht afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.