ECLI:NL:CRVB:2015:4121
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden
Appellant had sinds 1998 recht op een WAO-uitkering, die in de loop der jaren is herzien en uiteindelijk vastgesteld op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45 tot 55%. Na uitval wegens ziekte in 2001 heeft het UWV een nieuwe WAO-uitkering toegekend met een vastgesteld maatmaninkomen, waartegen appellant bezwaar maakte. Diverse besluiten en bezwaren volgden, waarbij het UWV het maatmaninkomen en de mate van arbeidsongeschiktheid herbeoordeelde, maar geen aanleiding zag tot wijziging van de uitkering.
Appellant verzocht in 2011 om herziening van de WAO-uitkering met terugwerkende kracht, stellende dat er sprake was van een urenbeperking, een garantieperiode van 36 maanden en dat het maatmaninkomen te laag was vastgesteld. De rechtbank vernietigde eerdere besluiten vanwege motiveringsgebreken, maar liet de rechtsgevolgen in stand nadat het UWV deze gebreken had hersteld.
In hoger beroep betoogde appellant dat de rechtbank niet alle relevante stukken had meegewogen en dat het UWV verplicht was geweest om bepaalde werkgeversverplichtingen over te nemen. De Raad oordeelde dat er geen sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden die herziening rechtvaardigen. Ook werden de stellingen over urenbeperking, garantieperiode en aanvullende looncomponenten verworpen. Het maatmaninkomen werd vastgesteld op €26,43 per uur, gebaseerd op feitelijk genoten loon. Het verzoek tot herziening en schadevergoeding werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de herziening van de WAO-uitkering heeft geweigerd en wijst het verzoek tot een hogere uitkering af.