ECLI:NL:CRVB:2015:4042
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door onvoldoende inspanningen
Appellant was als uitzendkracht werkzaam en vroeg op 26 augustus 2013 een WW-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering met ingang van 3 juni 2013 wegens verwijtbare werkloosheid, omdat appellant zijn ontslag had genomen vanwege vervoersproblemen zonder voldoende inspanningen te verrichten om zijn werk te behouden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat hij had kunnen proberen op andere manieren naar het werk te reizen, zoals meerijden met een collega of fietsen, en dat dit redelijkerwijs van hem mocht worden verlangd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij het vervoersprobleem aan zijn werkgever en uitzendbureau had gemeld en dat fietsen hem onredelijk belast zou hebben.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat het initiatief tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst van appellant uitging en dat hij onvoldoende pogingen had gedaan om zijn werk te behouden. Ook achtte de Raad het ongeloofwaardig dat appellant geen fiets kon lenen, gelet op het gebruikelijke karakter van de fiets. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de weigering van de WW-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende volledige weigering van de WW-uitkering wegens onvoldoende inspanningen van appellant om zijn werk te behouden.