ECLI:NL:CRVB:2015:3917
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij intrekking bijstand wegens niet-melding werkzaamheden
Verzoeker ontving sinds 2008 bijstand en werd beschuldigd van het zwart werken in een croissanterie zonder dit te melden, wat leidde tot een onderzoek door de Dienst Werk en Inkomen. Op basis van observaties door handhavingsspecialisten en een rapport werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker ongegrond. Verzoeker stelde in hoger beroep dat de waarnemingen niet aan hem, maar aan zijn broer toebehoorden. De voorzieningenrechter onderzocht of er voldoende feitelijke grondslag was voor de identificatie van verzoeker als de werkende persoon.
Het onderzoek toonde meerdere waarnemingen waarbij verzoeker werd herkend aan de hand van zijn identiteitskaart. De voorzieningenrechter oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen reden was om aan de juistheid van de identificatie te twijfelen. Schriftelijke verklaringen van familieleden werden niet als voldoende bewijs geaccepteerd.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen aanleiding gezien voor het toekennen van proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de intrekking van de bijstand wordt bevestigd.