ECLI:NL:CRVB:2015:3858
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.H. Bel
- M. ter Brugge
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Bbz-uitkering wegens niet-levensvatbaarheid bedrijf
Appellant exploiteert sinds november 2011 een eenmanszaak en heeft meerdere aanvragen gedaan voor bijstand en bedrijfskapitaal op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Na een eerste afwijzing in 2013, werd in 2014 opnieuw een aanvraag ingediend, die door het college werd afgewezen op basis van een advies van het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK). Het IMK concludeerde dat het bedrijf niet levensvatbaar was vanwege onvoldoende omzet in de opstartfase, grote financierings- en afbreukrisico's en een gebrek aan commerciële vaardigheden bij appellant.
Appellant stelde in bezwaar en beroep dat het IMK-advies onjuist en te pessimistisch was, onderbouwd door een deskundigenrapport van Tetteroo. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat het college terecht het IMK-advies als basis gebruikte, dat het bedrijf op het moment van besluitvorming niet levensvatbaar was en dat het rapport van Tetteroo onvoldoende aanknopingspunten bood om aan het IMK-advies te twijfelen.
De Raad benadrukte dat het begrip levensvatbaarheid inhoudt dat het inkomen na bijstand toereikend moet zijn voor voortzetting van het bedrijf en voorziening in het bestaan. De Raad oordeelde dat het college niet onrechtmatig had gehandeld door het advies van het IMK te volgen en dat appellant onvoldoende concrete en verifieerbare onderbouwing had geleverd voor de haalbaarheid van de omzetverwachtingen. Het hoger beroep werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het bedrijf wordt als niet levensvatbaar beschouwd, waardoor de aanvraag Bbz-uitkering wordt geweigerd.